Op 10 februari 2026 heeft Roethof Advocaten bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, een belangrijke overwinning behaald in een Wpbr-zaak. De procedure draaide om de intrekking van de beveiligingspas van een ervaren beveiliger door de korpschef van de politie.
Namens onze cliënt dienden wij een verzoek om een voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter wees dit verzoek toe en schorste het besluit van de korpschef tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Hierdoor mocht onze cliënt zijn beveiligingswerkzaamheden direct hervatten.
Deze uitspraak laat zien dat de intrekking van een beveiligingspas zorgvuldig moet worden gemotiveerd. Een tekortkoming binnen een beveiligingsorganisatie betekent niet automatisch dat een beveiliger niet langer betrouwbaar of bekwaam is.
Wat houdt een intrekking van de beveiligingspas in?
Wie beveiligingswerkzaamheden wil uitvoeren, heeft daarvoor toestemming nodig op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, oftewel de Wpbr. Deze toestemming wordt in de praktijk vaak aangeduid als een beveiligingspas.
Wanneer de korpschef twijfelt aan de betrouwbaarheid of bekwaamheid van een beveiliger, kan de toestemming worden ingetrokken. Een dergelijke beslissing heeft meestal direct grote gevolgen. Zonder geldige toestemming mag de betrokkene geen beveiligingswerkzaamheden meer verrichten en kan daardoor zijn of haar inkomen verliezen.
Tegen een besluit tot intrekking kan bezwaar worden gemaakt. Omdat een bezwaarprocedure enige tijd kan duren, kan daarnaast bij de rechtbank om een voorlopige voorziening worden gevraagd. De voorzieningenrechter beoordeelt dan onder meer of er voldoende aanleiding bestaat om het besluit tijdelijk te schorsen.
De aanleiding voor deze Wpbr-zaak
Onze cliënt had op het moment van de procedure 21 jaar zonder incidenten gewerkt binnen de particuliere beveiligingsbranche. Toch besloot de korpschef zijn toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten in te trekken.
De korpschef baseerde dit besluit op een incident dat zich had voorgedaan binnen een beveiligingsorganisatie waarvan onze cliënt leidinggevende was. Een medewerker had daar beveiligingswerkzaamheden verricht zonder over de vereiste toestemming te beschikken.
Volgens de korpschef had onze cliënt als leidinggevende moeten voorkomen dat deze medewerker als beveiliger werkzaam was. Uit deze tekortkoming werd geconcludeerd dat onze cliënt niet langer beschikte over de vereiste bekwaamheid en betrouwbaarheid om zelf beveiligingswerkzaamheden uit te voeren.
Roethof Advocaten was het niet eens met deze conclusie en vocht de intrekking van de beveiligingspas namens de cliënt aan.
Voorlopige voorziening tegen de korpschef
Omdat onze cliënt door het besluit per direct niet meer als beveiliger kon werken, was sprake van een spoedeisend belang. Zonder beveiligingspas kon hij zijn beroep niet uitoefenen en geen inkomsten meer verdienen.
Daarom werd niet alleen bezwaar gemaakt tegen het besluit, maar ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de Rechtbank Gelderland. Met dit verzoek werd de rechter gevraagd om de intrekking van de beveiligingspas tijdelijk buiten werking te stellen.
Bij de beoordeling keek de voorzieningenrechter naar de ernst van de verweten gedraging, de persoonlijke omstandigheden van onze cliënt en de vraag of het besluit van de korpschef naar verwachting in stand kon blijven.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter volgde de redenering van de korpschef niet. Op grond van artikel 7 van de Wpbr kan toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten worden ingetrokken wanneer de betrokkene niet langer beschikt over de vereiste bekwaamheid en betrouwbaarheid.
Volgens de rechter was onze cliënt als leidinggevende weliswaar tekortgeschoten, maar betekende dit niet automatisch dat hij zelf ongeschikt of onbetrouwbaar was om als beveiliger te werken.
Bij dit oordeel speelden verschillende omstandigheden een belangrijke rol:
- Onze cliënt had 21 jaar zonder incidenten in de beveiligingsbranche gewerkt.
- Hij had de betreffende medewerker meerdere keren gewaarschuwd dat deze zich niet als beveiliger mocht uitgeven.
- Het tekortschieten in zijn rol als leidinggevende was niet zo ernstig dat daarmee ook zijn geschiktheid als beveiliger was aangetast.
- De intrekking had directe financiële gevolgen, omdat onze cliënt zonder beveiligingspas geen inkomsten meer kon verdienen.
De voorzieningenrechter vond de intrekking onder deze omstandigheden onvoldoende evenredig en zag aanleiding om het besluit te schorsen.
Resultaat: beveiliger mocht direct weer aan het werk
De voorzieningenrechter stelde onze cliënt in het gelijk. Dit leidde tot de volgende uitkomst:
- Het verzoek om een voorlopige voorziening werd toegewezen.
- Het besluit van de korpschef werd geschorst.
- De schorsing blijft gelden tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
- Onze cliënt mocht zijn beveiligingswerkzaamheden direct hervatten.
- De korpschef werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Door de schorsing kon onze cliënt zijn beroep opnieuw uitoefenen terwijl de bezwaarprocedure nog liep.
Belang van proportionaliteit in Wpbr-zaken
Een Wpbr-besluit kan verstrekkende gevolgen hebben voor een beveiliger of beveiligingsorganisatie. Daarom moet de korpschef niet alleen vaststellen dat sprake is geweest van een tekortkoming, maar ook beoordelen wat deze tekortkoming zegt over de persoonlijke betrouwbaarheid en bekwaamheid van de betrokkene.
Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Denk aan het arbeidsverleden van de beveiliger, de ernst van het incident, eerder gedrag, genomen voorzorgsmaatregelen en de gevolgen van de intrekking.
In deze zaak woog het langdurige en onberispelijke arbeidsverleden van onze cliënt zwaar mee. Ook was relevant dat hij de betrokken medewerker meermaals had gewaarschuwd. De maatregel stond volgens de voorzieningenrechter daarom niet in een juiste verhouding tot hetgeen onze cliënt werd verweten.
Beveiligingspas ingetrokken: wat kunt u doen?
Wanneer de korpschef uw beveiligingspas intrekt, is snel handelen belangrijk. Tegen het besluit kan doorgaans binnen zes weken bezwaar worden gemaakt. Wanneer u door de intrekking niet meer kunt werken, kan daarnaast een voorlopige voorziening noodzakelijk zijn.
Bij een juridische beoordeling kunnen onder meer de volgende vragen van belang zijn:
- Is het besluit voldoende gemotiveerd?
- Zijn alle persoonlijke omstandigheden meegewogen?
- Is daadwerkelijk aangetoond dat u niet betrouwbaar of bekwaam bent?
- Staat de intrekking in verhouding tot de verweten gedraging?
- Leidt het besluit tot directe en ernstige financiële gevolgen?
- Zijn minder ingrijpende maatregelen mogelijk?
Iedere Wpbr-zaak is anders. Een zorgvuldige analyse van het dossier en een goed onderbouwd bezwaar kunnen daarom van doorslaggevend belang zijn.
Juridische bijstand bij een Wpbr-procedure
Deze uitspraak onderstreept dat een intrekking van een beveiligingspas door de korpschef niet zonder meer hoeft te worden geaccepteerd. Wanneer een besluit onvoldoende is gemotiveerd of niet evenredig is, kan het zinvol zijn om bezwaar te maken en een voorlopige voorziening te verzoeken.
Roethof Advocaten staat beveiligers, beveiligingsbedrijven en particuliere beveiligingsorganisaties bij in Wpbr-zaken en bestuursrechtelijke procedures tegen de korpschef of de politie.
Is uw beveiligingspas ingetrokken of dreigt uw toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden te worden geweigerd? Neem dan tijdig contact op met Roethof Advocaten voor een beoordeling van uw situatie.
Is uw beveiligingspas ingetrokken of hebt u een andere Wpbr-kwestie?
Neem vandaag nog contact op met Roethof Advocaten